
| Totale lengte | mm |
| Kaliber | 7,65x54mm |
| Bijhorende bajonet | / |
Na de ingebruikname van het model 1889 geweer werden er vanaf 1892 ook verschillende karabijnen met hetzelfde systeem ingevoerd; de model 1889 karabijn (met bajonet), de model 1889 karabijn met yatagan, de model 1889 verlichte karabijn en de model 1889 verlichte karabijn met yatagan.
Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog had de Belgische defensie een groot tekort aan vuurwapens. Bovendien was het een hele opgave om de reparatie van alle verschillende karabijnmodellen efficiënt uit te voeren.
Tegen 1916 was de situatie sterk verbeterd waardoor de bewapening gereorganiseerd kon worden. Dit leidde onder andere tot een vermindering van het aantal verschillende modellen karabijnen en het standardiseren naar het model 1916. De meeste oudere modellen werden toen omgebouwd naar deze nieuwe standaard en nieuwe productie werd opgestart in het Belgische arsenaal te Birmingham, Groot-Brittannië.
De model 1916 karabijn beschikte over een loop in kaliber 7,65x54mm. Deze werd omhuld door een loopmantel voor het beschermen van loop zelf en de gebruiker. Dit onderdeel was echter moeilijk te fabriceren en duur. Ook kon er vocht tussen loop en loopmantel geraken wat voor corrosie zorgde.
De grendel was uit 1 stuk, met een meedraaiende uittrekker.
Afhankelijk van het donorwapen kon de grendelarm zowel recht als gebogen zijn. Nieuw gemaakte exemplaren hadden normaal gezien een rechte grendelarm.
Het magazijn had een 5-schots capaciteit, hetgeen hoog was voor die tijd. De patronen lagen in een enkele rij.

