| Totale lengte | 1045mm |
| Kaliber | 7,65x54mm |
| Bijhorende bajonet | model 1889 bajonet |
Onmiddellijk na de ingebruikname van het model 1889 geweer werd er gezocht naar een compacter wapen voor bereden troepen. Hiervoor werden enkel de loop en loopmantel van een model 1889 geweer verkort en het van een nieuw laddervizier voorzien.
In september 1892 werd het wapen officieel ingevoerd maar het beantwoordde niet volledig aan de noden van de cavalerie, vooral omwille van het gewicht en de riembeugels die qua vorm en positie ongeschikt geacht werden.
Het wapen werd wel gebruikt voor de pupillenscholen waar kinderen van militairen, tussen 11 en 14 jaar oud, een vorming konden krijgen. Voor het leren marcheren en manipuleren van vuurwapens, was deze kleinere, lichtere karabijn wel geschikt.
De productie van deze karabijnen vond waarschijnlijk enkel bij de Manufacture d’Armes de l’État plaats.
De model 1889 karabijn (met bajonet) beschikte over een loop in kaliber 7,65x54mm. Deze werd omhuld door een loopmantel voor het beschermen van loop zelf en de gebruiker. Dit onderdeel was echter moeilijk te fabriceren en duur. Ook kon er vocht tussen loop en loopmantel geraken wat voor corrosie zorgde.
De grendel was uit 1 stuk, met een meedraaiende uittrekker.
Het magazijn had een 5-schots capaciteit, hetgeen hoog was voor die tijd. De patronen lagen in een enkele rij. De projectielen waren cylindrisch van vorm en relatief stomp.
Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog had de Belgische defensie een groot tekort aan vuurwapens. Tegen 1916 was de situatie sterk verbeterd waardoor de bewapening gereorganiseerd kon worden. Dit leidde onder andere tot een vermindering van het aantal verschillende modellen karabijnen en het standardiseren naar het model 1916. De meeste oudere modellen werden toen omgebouwd naar deze nieuwe standaard.