| Totale lengte | mm |
| Kaliber | mm |
| Bijhorende bajonet |
Eind jaren 1860 besliste de Belgische overheid om een algemene overstap te maken naar achterladers. Een groot gedeelte van de voorladers in Belgische stocks werd geconverteerd volgens het systeem Albini-Braendlin.
Dit geweer diende in 1894 nog als opleidingswapen voor de leerlingen van de pupillenschool van Namen.
Het donor wapen, in dit geval een model 1853 getrokken percussiegeweer werd eerder al gemoderniseerd door het aanbrengen van trekken in de loop. Bij deze laatste grote ombouw werd de loop vervangen en voorzien van het Albini-Braendlin systeem met roterend blok. De onsteking gebeurde door middel van een slag van de hamer op de slagpin. De slagpin zat centraal, in de as van de loop, in het roterende grendelblok.
Enkel de datum op de zijplaat geeft aan of het gaat om een model 1841 (Belgisch) infanteriegeweer (datum tot 1853) of een model 1853 getrokken percussiegeweer (datum vanaf 1853).
Eind 1880 werd er een nieuw projectiel ingevoerd, gemaakt uit een hardere legering. Hierdoor werd de effectieve reikwijdte van de Albini-Braendlin wapens verhoogd. De wapens kregen daarop een lateraal richtmiddel, ontwikkeld door kolonel Halkin, directeur van de Manufacture d’Armes de l’Etat. De schuiver van het laddervizier was voorzien van een bijkomende keep aan de rechterkant. Op de middelste loopband werd een cirkelvormige knop voorzien die uitgelijnd kon worden voor indirect vuren.










